In oude geschriften, documenten en boeken of op prenten en schilderijen is de geschiedenis van hondenrassen vastgelegd. En ook het werk dat ze doen. Meegaan op jacht, het drijven en hoeden van een kudde, het bewaken van huis en haard en het gezelschap houden van de mens. Elke maand gunt Onze Hond de lezer een inkijkje in de rijke historie van een hondenras. Deze maand de Argentijnse Dog, het ras dat een
transformatie doormaakte van vechthond, tot bewaker en familiehond.
De twee broers Nores Martínez – Antonio en Agustín – worden geboren in Argentinië, respectievelijk in 1907 en 1908. Vader Antonio Nores senior is medisch doctor en de familie behoort tot de zeer gegoede klasse. In het gezin wordt veel over jagen en honden gesproken, ook over
de vechthond van Cordoba: de Perro de Pelea Cordobés. Die gesprekken vormen de basis voor de plannen van Antonio jr. en Agustín. De historie van de Dogo Argentino is zo sterk verweven met die van de gebroeders Nores Martínez dat beide onderwerpen absoluut niet los van
elkaar kunnen worden gezien en beschreven. In 1925 onderneemt Antonio de eerste stappen in de ontwikkeling van een geschikte hond voor de jacht op groot wild, die echter ook als familiehond bruikbaar is. De broers studeren nog en zonder hulp van familie en vrienden lukt dat niet. Vader Nores Martínez stelt een kennelhulp aan en de broers steken al hun zakgeld in hondenvoer. Antonio maakt plannen en werkt die
uit, Agustín is zijn trouwe supporter. Laatstgenoemde is degene die de uiteindelijke doorbraak van de Dogo Argentino meemaakt en zich later inzet voor de nationale en internationale erkenning van het ras.
Jacht op groot wild
We moeten we even terug naar het platteland van Argentinië aan het einde van de 19de en het begin van de 20ste eeuw. In 1908 wordt door
een lokale organisatie, die zich bezighoudt met de bescherming van de jacht, een aantal wilde zwijnen geïmporteerd. De aanwas van wilde
zwijnen, veilig opgeborgen achter afrasteringen, wordt zorgvuldig gecontroleerd. Wanneer echter de grootgrondbezitters in financiële problemen raken en hun afrasteringen verwaarlozen, verspreiden de zwijnen zich over grote gebieden. Om ongewenste groei van de zwijnenpopulatie en de vernieling van oogsten en boomgaarden te voorkomen, wordt de jacht, Monteria Criolla – vrij vertaald “jagen naar
de landsaard” – steeds populairder. De jachtterreinen in Argentinië zijn zo uitgestrekt en divers dat er verschillende honden-rassen nodig
zijn, bijvoorbeeld honden om het spoor te volgen, om het wild op te jagen, te stellen en/of te doden. Eigenlijk zijn de jagers op groot wild niet tevreden met de honden die beschikbaar zijn, zoals de Perro de Pelea Cordobés. Deze honden zijn té scherp en ze vechten met elkaar in plaats van met de prooi, hebben te weinig jachtpassie of kunnen het niet opnemen tegen wilde dieren. De jonge Antonio realiseert zich dat een geschikte hond voor de jacht op groot wild – poema’s, jaguars, wilde zwijnen – ontbreekt. Niet alleen de behoefte aan een jachthond ligt ten grondslag aan de creatie van de Dogo Argentino. De inkomsten uit weddenschappen bij hondengevechten zijn gigantisch en overtreffen die van hanengevechten. Eigenaren van kampioenen onder de vechthonden worden trots, met naam en toenaam, vermeld. Het is een destijds volkomen geaccepteerd volksvermaak, vooral populair op het platteland onder veefokkers en boeren. In de jaren twintig komt er in Latijns-Amerika een einde aan dit wrede gebruik en daarmee ook aan het bestaansrecht van de populairste vechthond, de Perro de Pelea Cordobés.
Nutteloze agressie
Een van de uitgangspunten van Antonio is dat de Perro de Pelea Cordobés – de vechthond uit de Argentijnse stad Cordoba – niet mag uitsterven na het verdwijnen van de hondengevechten. Antonio ziet hen in zijn jeugd vechten in de pits in Cordoba en bewondert hun kracht.
Dit vechthondenras, ontstaan rond 1850, heeft hij bij zijn fokkerij hard nodig vanwege het grote uithoudingsvermogen en de onverschrokkenheid. Wat hij kan missen, is de nutteloze agressie. Antonio’s doel is tweeledig: een dogachtige voor uitsterven behoeden en
een nationaal werkras creëren. Hij neemt deze vechthonden als basis voor zijn fokkerij omdat zij de nazaten zijn van in de 16de eeuw door de Spanjaarden meegebrachte Fila en Presa-rassen. Dat zijn de voorvaderen van onder andere de Perro de Presa Mallorquin, de Mastin Espanol en de nu uitgestorven Spaanse Alano (een hoogbenige dogachtige). Bij een nieuwe immigratiegolf in de 19de eeuw komen er Bulldogs, Bull and Terriers en Boxers mee naar Argentinië. Algemeen wordt aangenomen dat de Perro de Pelea Cordobés geleidelijk aan is ontstaan uit
bewuste kruisingen tussen deze rassen. Deze vechthond – een typische dogachtige, wit of met donkere spots – wordt destijds in Argentinië gezien als een zuiver gefokt ras. Het “beste deel” van dit ras bewaren is de missie van beide broers. Zij streven naar een hond met een fysieke en geestelijke stabiliteit.
Lees het volledige artikel in Onze Hond nr.7. Bestel hier
Tekst en illustraties: Ria Hörter